Сөз байлыгы
корейче – Verbs Exercise

zich bevinden
Er bevindt zich een parel in de schelp.

uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.

bouwen
Wanneer werd de Chinese Muur gebouwd?

volgen
De kuikens volgen altijd hun moeder.

uitgaan
De meisjes gaan graag samen uit.

teruggaan
Hij kan niet alleen teruggaan.

aannemen
Het bedrijf wil meer mensen aannemen.

reizen
We reizen graag door Europa.

toebehoren
Mijn vrouw behoort mij toe.

verheugen
Kinderen verheugen zich altijd op sneeuw.

bereiden
Er wordt een heerlijk ontbijt bereid!
