Woordenlijst
Bengaals – Werkwoorden oefenen

wegrennen
Iedereen rende weg van het vuur.

zitten
Er zitten veel mensen in de kamer.

schilderen
De auto wordt blauw geschilderd.

inrichten
Mijn dochter wil haar appartement inrichten.

moeilijk vinden
Beiden vinden het moeilijk om afscheid te nemen.

sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.

bestellen
Ze bestelt ontbijt voor zichzelf.

verder gaan
Je kunt op dit punt niet verder gaan.

huilen
Het kind huilt in het bad.

overweg kunnen
Stop met ruziën en kunnen jullie eindelijk met elkaar overweg!

inloggen
Je moet inloggen met je wachtwoord.
