Woordenlijst
Deens – Werkwoorden oefenen

weglopen
Sommige kinderen lopen van huis weg.

een toespraak houden
De politicus houdt een toespraak voor veel studenten.

overnemen
De sprinkhanen hebben de overhand genomen.

begrijpen
Men kan niet alles over computers begrijpen.

de weg terugvinden
Ik kan de weg terug niet vinden.

vermijden
Hij moet noten vermijden.

uitzoeken
Ze zoekt een nieuwe zonnebril uit.

annuleren
De vlucht is geannuleerd.

bespreken
Ze bespreken hun plannen.

trekken
Hij trekt de slee.

toebehoren
Mijn vrouw behoort mij toe.
