Woordenlijst
Deens – Werkwoorden oefenen

verminderen
Ik moet absoluut mijn stookkosten verminderen.

bestellen
Ze bestelt ontbijt voor zichzelf.

dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.

verwachten
Mijn zus verwacht een kind.

veroorzaken
Suiker veroorzaakt veel ziekten.

investeren
Waar moeten we ons geld in investeren?

drinken
Ze drinkt thee.

weglopen
Onze zoon wilde van huis weglopen.

rondrijden
De auto’s rijden in een cirkel rond.

uitgaan
De meisjes gaan graag samen uit.

luisteren
Hij luistert graag naar de buik van zijn zwangere vrouw.
