Woordenlijst
Duits – Werkwoorden oefenen

uitkomen
Wat komt er uit het ei?

brengen
De koerier brengt een pakketje.

binnenkomen
Het schip komt de haven binnen.

vergeven
Ik vergeef hem zijn schulden.

annuleren
De vlucht is geannuleerd.

schrijven op
De kunstenaars hebben op de hele muur geschreven.

doorbrengen
Ze brengt al haar vrije tijd buiten door.

rinkelen
Hoor je de bel rinkelen?

ziektebriefje halen
Hij moet een ziektebriefje halen bij de dokter.

achterliggen
De tijd van haar jeugd ligt ver achter haar.

bekritiseren
De baas bekritiseert de werknemer.
