Woordenlijst
Duits – Werkwoorden oefenen

bedekken
De waterlelies bedekken het water.

ontbijten
We ontbijten het liefst op bed.

gebruiken
We gebruiken gasmaskers in het vuur.

aanzetten
Zet de TV aan!

beheren
Wie beheert het geld in jouw gezin?

instellen
Je moet de klok instellen.

zien
Je kunt beter zien met een bril.

bewegen
Het is gezond om veel te bewegen.

out-of-the-box denken
Om succesvol te zijn, moet je soms out-of-the-box denken.

leiden
Hij leidt het meisje bij de hand.

begrijpen
Men kan niet alles over computers begrijpen.
