Woordenlijst
Duits – Werkwoorden oefenen

bedienen
De chef bedient ons vandaag zelf.

bestaan
Dinosaurussen bestaan tegenwoordig niet meer.

zien
Je kunt beter zien met een bril.

meedenken
Je moet meedenken bij kaartspellen.

wakker worden
Hij is net wakker geworden.

openen
Het kind opent zijn cadeau.

de weg terugvinden
Ik kan de weg terug niet vinden.

uitgeven
Ze heeft al haar geld uitgegeven.

beginnen
De wandelaars begonnen vroeg in de ochtend.

verwijderen
Onkruid moet verwijderd worden.

consumeren
Ze consumeert een stukje taart.
