Woordenlijst
Engels (UK) – Werkwoorden oefenen

weerzien
Ze zien elkaar eindelijk weer.

duwen
Ze duwen de man het water in.

verhuizen
De buurman verhuist.

kopen
Ze willen een huis kopen.

vertrekken
Het schip vertrekt uit de haven.

tegenover liggen
Daar is het kasteel - het ligt er recht tegenover!

kijken
Ze kijkt door een verrekijker.

gebruiken
We gebruiken gasmaskers in het vuur.

branden
Het vlees mag niet branden op de grill.

luisteren naar
De kinderen luisteren graag naar haar verhalen.

beheren
Wie beheert het geld in jouw gezin?
