Woordenlijst
Engels (UK) – Werkwoorden oefenen

gebeuren
Er is iets ergs gebeurd.

begrijpen
Ik kan je niet begrijpen!

beginnen
De wandelaars begonnen vroeg in de ochtend.

wijken
Veel oude huizen moeten wijken voor de nieuwe.

sparen
Het meisje spaart haar zakgeld.

kopen
Ze willen een huis kopen.

aanraken
De boer raakt zijn planten aan.

overlaten
De eigenaren laten hun honden aan mij over voor een wandeling.

beginnen
Een nieuw leven begint met een huwelijk.

achteruit zetten
Binnenkort moeten we de klok weer achteruit zetten.

uitknippen
De vormen moeten worden uitgeknipt.
