Woordenlijst
Fins – Werkwoorden oefenen

bouwen
De kinderen bouwen een hoge toren.

lukken
Deze keer is het niet gelukt.

bedekken
Ze bedekt haar haar.

consumeren
Ze consumeert een stukje taart.

uitsluiten
De groep sluit hem uit.

omgaan
Men moet met problemen omgaan.

delen
We moeten leren onze rijkdom te delen.

terechtkomen
Hoe zijn we in deze situatie terechtgekomen?

serveren
De ober serveert het eten.

gooien naar
Ze gooien de bal naar elkaar.

laten staan
Vandaag moeten velen hun auto’s laten staan.
