Woordenlijst
Frans – Werkwoorden oefenen

herinneren
De computer herinnert me aan mijn afspraken.

oprapen
We moeten alle appels oprapen.

wachten
We moeten nog een maand wachten.

gooien naar
Ze gooien de bal naar elkaar.

achterlaten
Ze hebben hun kind per ongeluk op het station achtergelaten.

vereenvoudigen
Je moet ingewikkelde dingen voor kinderen vereenvoudigen.

zorgen voor
Onze conciërge zorgt voor de sneeuwruiming.

verdenken
Hij verdenkt dat het zijn vriendin is.

vertegenwoordigen
Advocaten vertegenwoordigen hun cliënten in de rechtbank.

werken
Ze werkt beter dan een man.

denken
Ze moet altijd aan hem denken.
