Woordenlijst
Hebreeuws – Werkwoorden oefenen

met de trein gaan
Ik ga er met de trein heen.

consumeren
Ze consumeert een stukje taart.

overdoen
De student heeft een jaar overgedaan.

drinken
Ze drinkt thee.

overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.

schoppen
Pas op, het paard kan schoppen!

opkomen voor
De twee vrienden willen altijd voor elkaar opkomen.

opschrijven
Je moet het wachtwoord opschrijven!

ondernemen
Ik heb veel reizen ondernomen.

herhalen
Kun je dat alstublieft herhalen?

luisteren naar
De kinderen luisteren graag naar haar verhalen.
