Woordenlijst
Hongaars – Werkwoorden oefenen

beginnen
De soldaten beginnen.

werken
Ze werkt beter dan een man.

elkaar aankijken
Ze keken elkaar lang aan.

pronken
Hij pronkt graag met zijn geld.

luisteren
Hij luistert naar haar.

beschadigen
Twee auto’s raakten beschadigd bij het ongeluk.

op handen zijn
Een ramp is op handen.

opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.

luisteren
Ze luistert en hoort een geluid.

kijken
Iedereen kijkt naar hun telefoons.

gebruiken
Ze gebruikt dagelijks cosmetische producten.
