Woordenlijst
Japans – Werkwoorden oefenen

nodig hebben
Je hebt een krik nodig om een band te verwisselen.

reizen
Hij reist graag en heeft veel landen gezien.

doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!

pronken
Hij pronkt graag met zijn geld.

voorbijgaan
De trein gaat aan ons voorbij.

beheersen
Ik kan niet te veel geld uitgeven; ik moet me beheersen.

inloggen
Je moet inloggen met je wachtwoord.

opmerken
Wie iets weet, mag in de klas opmerken.

volgen
Mijn hond volgt me als ik jog.

oefenen
Hij oefent elke dag met zijn skateboard.

uitgeven
De uitgever geeft deze tijdschriften uit.
