Woordenlijst
Kannada – Werkwoorden oefenen

controleren
Hij controleert wie daar woont.

verlaten
Toeristen verlaten het strand rond de middag.

bewaren
Ik bewaar mijn geld in mijn nachtkastje.

consumeren
Ze consumeert een stukje taart.

weten
De kinderen zijn erg nieuwsgierig en weten al veel.

trouwen
Minderjarigen mogen niet trouwen.

produceren
We produceren onze eigen honing.

weglopen
Sommige kinderen lopen van huis weg.

annuleren
De vlucht is geannuleerd.

slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.

bekritiseren
De baas bekritiseert de werknemer.
