Woordenlijst
Lets – Werkwoorden oefenen

doen
Dat had je een uur geleden moeten doen!

stemmen
De kiezers stemmen vandaag over hun toekomst.

schoonmaken
De werker maakt het raam schoon.

beginnen
De soldaten beginnen.

verdelen
Ze verdelen het huishoudelijk werk onder elkaar.

herhalen
Kun je dat alstublieft herhalen?

durven
Ik durf niet in het water te springen.

naar beneden kijken
Ik kon vanuit het raam naar het strand beneden kijken.

stoppen
Hij stopte met zijn baan.

opzoeken
Wat je niet weet, moet je opzoeken.

verdwalen
Het is gemakkelijk om in het bos te verdwalen.
