Woordenlijst
Lets – Werkwoorden oefenen

verheugen
Kinderen verheugen zich altijd op sneeuw.

bouwen
De kinderen bouwen een hoge toren.

samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.

werken
Ze werkt beter dan een man.

verliezen
Wacht, je hebt je portemonnee verloren!

draaien
Ze draait het vlees.

vertellen
Ik heb iets belangrijks te vertellen.

wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.

ontcijferen
Hij ontcijfert de kleine letters met een vergrootglas.

vergeven
Ze kan het hem nooit vergeven!

lezen
Ik kan niet zonder bril lezen.
