Woordenlijst
Noors – Werkwoorden oefenen

de weg terugvinden
Ik kan de weg terug niet vinden.

stoppen
Je moet stoppen bij het rode licht.

een toespraak houden
De politicus houdt een toespraak voor veel studenten.

begrijpen
Ik begreep eindelijk de taak!

overweg kunnen
Stop met ruziën en kunnen jullie eindelijk met elkaar overweg!

omgaan
Men moet met problemen omgaan.

bouwen
De kinderen bouwen een hoge toren.

houden van
Ze houdt meer van chocolade dan van groenten.

reizen
We reizen graag door Europa.

missen
Hij mist zijn vriendin erg.

moeten gaan
Ik heb dringend vakantie nodig; ik moet gaan!
