Woordenlijst
Noors – Werkwoorden oefenen

beginnen met rennen
De atleet staat op het punt om te beginnen met rennen.

slaan
Ze slaat de bal over het net.

beschrijven
Hoe kun je kleuren beschrijven?

nemen
Ze moet veel medicatie nemen.

worden
Ze zijn een goed team geworden.

out-of-the-box denken
Om succesvol te zijn, moet je soms out-of-the-box denken.

verdenken
Hij verdenkt dat het zijn vriendin is.

naar beneden kijken
Ik kon vanuit het raam naar het strand beneden kijken.

stoppen
Je moet stoppen bij het rode licht.

tegenover liggen
Daar is het kasteel - het ligt er recht tegenover!

trouwen
Minderjarigen mogen niet trouwen.
