Woordenlijst
Pools – Werkwoorden oefenen

reizen
Hij reist graag en heeft veel landen gezien.

moeten gaan
Ik heb dringend vakantie nodig; ik moet gaan!

accepteren
Ik kan dat niet veranderen, ik moet het accepteren.

bellen
Het meisje belt haar vriendin.

uitzetten
Ze zet de elektriciteit uit.

leiden
De meest ervaren wandelaar leidt altijd.

wachten
We moeten nog een maand wachten.

uitgeven
De uitgever geeft deze tijdschriften uit.

verspillen
Energie mag niet verspild worden.

moeilijk vinden
Beiden vinden het moeilijk om afscheid te nemen.

uitspreken
Ze wil zich uitspreken tegen haar vriend.
