Woordenlijst
Roemeens – Werkwoorden oefenen

werken
Ze werkt beter dan een man.

voelen
Hij voelt zich vaak alleen.

verhuizen
Mijn neefje gaat verhuizen.

herhalen
Kun je dat alstublieft herhalen?

knuffelen
Hij knuffelt zijn oude vader.

aankomen
Het vliegtuig is op tijd aangekomen.

ontmoeten
Soms ontmoeten ze elkaar in het trappenhuis.

beginnen
De wandelaars begonnen vroeg in de ochtend.

toelopen
Het meisje loopt naar haar moeder toe.

spellen
De kinderen leren spellen.

doorkomen
Het water was te hoog; de truck kon er niet doorheen.
