Woordenlijst
Zweeds – Werkwoorden oefenen

wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.

achterna rennen
De moeder rent achter haar zoon aan.

herhalen
Kun je dat alstublieft herhalen?

toevoegen
Ze voegt wat melk toe aan de koffie.

opmerken
Wie iets weet, mag in de klas opmerken.

vergeten
Ze is nu zijn naam vergeten.

protesteren
Mensen protesteren tegen onrecht.

benadrukken
Je kunt je ogen goed benadrukken met make-up.

bedekken
Het kind bedekt zijn oren.

herhalen
Mijn papegaai kan mijn naam herhalen.

becommentariëren
Hij becommentarieert elke dag de politiek.
