Woordenlijst
Thai – Werkwoorden oefenen

schilderen
De auto wordt blauw geschilderd.

produceren
Men kan goedkoper produceren met robots.

schilderen
Hij schildert de muur wit.

verkiezen
Onze dochter leest geen boeken; ze verkiest haar telefoon.

bespreken
Ze bespreken hun plannen.

doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!

zich wenden tot
Ze wenden zich tot elkaar.

beïnvloeden
Laat je niet door anderen beïnvloeden!

verbinden
Deze brug verbindt twee wijken.

uitspreiden
Hij spreidt zijn armen wijd uit.

verbazen
Ze was verbaasd toen ze het nieuws ontving.
