어휘

동사를 배우세요 ― 네덜란드어

cms/verbs-webp/116067426.webp
wegrennen
Iedereen rende weg van het vuur.
도망치다
모든 사람들이 불에서 도망쳤다.
cms/verbs-webp/123380041.webp
overkomen
Is hem iets overkomen tijdens het werkongeluk?
일어나다
그는 근무 사고로 무슨 일이 일어났나요?
cms/verbs-webp/96476544.webp
vaststellen
De datum wordt vastgesteld.
정하다
날짜가 정해지고 있다.
cms/verbs-webp/129244598.webp
beperken
Tijdens een dieet moet je je voedselinname beperken.
제한하다
다이어트 중에는 음식 섭취를 제한해야 한다.
cms/verbs-webp/105504873.webp
willen verlaten
Ze wil haar hotel verlaten.
떠나고 싶다
그녀는 호텔을 떠나고 싶다.
cms/verbs-webp/96586059.webp
ontslaan
De baas heeft hem ontslagen.
해고하다
상사는 그를 해고했다.
cms/verbs-webp/91930542.webp
stoppen
De agente stopt de auto.
멈추다
여경이 차를 멈췄다.
cms/verbs-webp/44518719.webp
bewandelen
Dit pad mag niet bewandeld worden.
걷다
이 길은 걷지 말아야 한다.
cms/verbs-webp/38753106.webp
spreken
Men moet niet te luid spreken in de bioscoop.
말하다
극장에서는 너무 크게 말하지 않아야 한다.
cms/verbs-webp/86196611.webp
overrijden
Helaas worden er nog veel dieren overreden door auto’s.
치다
불행하게도 많은 동물들이 여전히 차에 치여 있다.
cms/verbs-webp/87142242.webp
hangen
De hangmat hangt aan het plafond.
매달리다
천장에서 해먹이 매달려 있다.
cms/verbs-webp/91367368.webp
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.
산책하다
그 가족은 일요일에 산책을 간다.