어휘
동사를 배우세요 ― 네덜란드어
wegrennen
Iedereen rende weg van het vuur.
도망치다
모든 사람들이 불에서 도망쳤다.
overkomen
Is hem iets overkomen tijdens het werkongeluk?
일어나다
그는 근무 사고로 무슨 일이 일어났나요?
vaststellen
De datum wordt vastgesteld.
정하다
날짜가 정해지고 있다.
beperken
Tijdens een dieet moet je je voedselinname beperken.
제한하다
다이어트 중에는 음식 섭취를 제한해야 한다.
willen verlaten
Ze wil haar hotel verlaten.
떠나고 싶다
그녀는 호텔을 떠나고 싶다.
ontslaan
De baas heeft hem ontslagen.
해고하다
상사는 그를 해고했다.
stoppen
De agente stopt de auto.
멈추다
여경이 차를 멈췄다.
bewandelen
Dit pad mag niet bewandeld worden.
걷다
이 길은 걷지 말아야 한다.
spreken
Men moet niet te luid spreken in de bioscoop.
말하다
극장에서는 너무 크게 말하지 않아야 한다.
overrijden
Helaas worden er nog veel dieren overreden door auto’s.
치다
불행하게도 많은 동물들이 여전히 차에 치여 있다.
hangen
De hangmat hangt aan het plafond.
매달리다
천장에서 해먹이 매달려 있다.