Testen 26



Datum:
Tijd besteed aan testen::
Score:


Fri Jan 02, 2026

0/10

Klik op een woord
1. Dat zijn de leerlingen.
são os alunos   See hint
2. Drink je water met ijs?
bebe água com gelo?   See hint
3. Ik doe de was in de wasmachine.
Eu a roupa na máquina de lavar   See hint
4. Hoe kom ik in het centrum van de stad?
Como chego ao ?   See hint
5. Dit heb ik niet besteld.
Não isto   See hint
6. Hij vaart met het schip.
vai de navio   See hint
7. Daar is de dierentuin.
Ali é o zoológico   See hint
8. Er is ook een zwembad met sauna.
Também tem uma com sauna   See hint
9. Je tas is erg mooi.
Sua bolsa é linda   See hint
10. Het stoplicht staat op rood.
O semáforo vermelho   See hint