Vocabolario
Impara i verbi – Olandese
overkomen
Is hem iets overkomen tijdens het werkongeluk?
capitare
Gli è capitato qualcosa nell’incidente sul lavoro?
langskomen
De artsen komen elke dag bij de patiënt langs.
passare
I medici passano dal paziente ogni giorno.
staan
De bergbeklimmer staat op de top.
stare in piedi
L’alpinista sta in piedi sulla cima.
herhalen
Mijn papegaai kan mijn naam herhalen.
ripetere
Il mio pappagallo può ripetere il mio nome.
verbeteren
Ze wil haar figuur verbeteren.
migliorare
Lei vuole migliorare la sua figura.
doorbrengen
Ze brengt al haar vrije tijd buiten door.
trascorrere
Lei trascorre tutto il suo tempo libero fuori.
schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.
pulire
Lei pulisce la cucina.
gebeuren
Hier is een ongeluk gebeurd.
accadere
Qui è accaduto un incidente.
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
nevicare
Oggi ha nevicato molto.
verheugen
Kinderen verheugen zich altijd op sneeuw.
aspettare con ansia
I bambini aspettano sempre con ansia la neve.
kletsen
Hij kletst vaak met zijn buurman.
chiacchierare
Chiacchiera spesso con il suo vicino.