Woordenlijst

Leer werkwoorden – Italiaans

cms/verbs-webp/118253410.webp
spendere
Lei ha speso tutti i suoi soldi.
uitgeven
Ze heeft al haar geld uitgegeven.
cms/verbs-webp/86996301.webp
difendere
I due amici vogliono sempre difendersi a vicenda.
opkomen voor
De twee vrienden willen altijd voor elkaar opkomen.
cms/verbs-webp/11497224.webp
rispondere
Lo studente risponde alla domanda.
antwoorden
De student beantwoordt de vraag.
cms/verbs-webp/109099922.webp
ricordare
Il computer mi ricorda i miei appuntamenti.
herinneren
De computer herinnert me aan mijn afspraken.
cms/verbs-webp/102823465.webp
mostrare
Posso mostrare un visto nel mio passaporto.
tonen
Ik kan een visum in mijn paspoort tonen.
cms/verbs-webp/120200094.webp
mescolare
Puoi fare un’insalata sana mescolando verdure.
mengen
Je kunt een gezonde salade met groenten mengen.
cms/verbs-webp/110233879.webp
creare
Ha creato un modello per la casa.
creëren
Hij heeft een model voor het huis gecreëerd.
cms/verbs-webp/130770778.webp
viaggiare
A lui piace viaggiare e ha visto molti paesi.
reizen
Hij reist graag en heeft veel landen gezien.
cms/verbs-webp/38296612.webp
esistere
I dinosauri non esistono più oggi.
bestaan
Dinosaurussen bestaan tegenwoordig niet meer.
cms/verbs-webp/121670222.webp
seguire
I pulcini seguono sempre la loro madre.
volgen
De kuikens volgen altijd hun moeder.
cms/verbs-webp/57248153.webp
menzionare
Il capo ha menzionato che lo licenzierà.
vermelden
De baas vermeldde dat hij hem zal ontslaan.
cms/verbs-webp/112286562.webp
lavorare
Lei lavora meglio di un uomo.
werken
Ze werkt beter dan een man.