Woordenlijst

Leer werkwoorden – Italiaans

cms/verbs-webp/106608640.webp
usare
Anche i bambini piccoli usano i tablet.
gebruiken
Zelfs kleine kinderen gebruiken tablets.
cms/verbs-webp/120515454.webp
nutrire
I bambini stanno nutrendo il cavallo.
voeden
De kinderen voeden het paard.
cms/verbs-webp/131098316.webp
sposarsi
Ai minori non è permesso sposarsi.
trouwen
Minderjarigen mogen niet trouwen.
cms/verbs-webp/102136622.webp
tirare
Lui tira la slitta.
trekken
Hij trekt de slee.
cms/verbs-webp/90821181.webp
battere
Ha battuto il suo avversario a tennis.
verslaan
Hij versloeg zijn tegenstander in tennis.
cms/verbs-webp/93169145.webp
parlare
Lui parla al suo pubblico.
spreken
Hij spreekt tot zijn publiek.
cms/verbs-webp/79317407.webp
comandare
Lui comanda il suo cane.
bevelen
Hij beveelt zijn hond.
cms/verbs-webp/100585293.webp
girarsi
Devi girare la macchina qui.
omdraaien
Je moet hier de auto omdraaien.
cms/verbs-webp/90773403.webp
seguire
Il mio cane mi segue quando faccio jogging.
volgen
Mijn hond volgt me als ik jog.
cms/verbs-webp/114993311.webp
vedere
Puoi vedere meglio con gli occhiali.
zien
Je kunt beter zien met een bril.
cms/verbs-webp/28642538.webp
lasciare fermo
Oggi molti devono lasciare ferme le loro auto.
laten staan
Vandaag moeten velen hun auto’s laten staan.
cms/verbs-webp/94312776.webp
donare
Lei dona il suo cuore.
weggeven
Ze geeft haar hart weg.