Woordenlijst

Leer werkwoorden – Italiaans

cms/verbs-webp/123203853.webp
causare
L’alcol può causare mal di testa.
veroorzaken
Alcohol kan hoofdpijn veroorzaken.
cms/verbs-webp/73488967.webp
esaminare
I campioni di sangue vengono esaminati in questo laboratorio.
onderzoeken
Bloedmonsters worden in dit lab onderzocht.
cms/verbs-webp/94482705.webp
tradurre
Lui può tradurre tra sei lingue.
vertalen
Hij kan tussen zes talen vertalen.
cms/verbs-webp/116166076.webp
pagare
Lei paga online con una carta di credito.
betalen
Ze betaalt online met een creditcard.
cms/verbs-webp/103163608.webp
contare
Lei conta le monete.
tellen
Ze telt de munten.
cms/verbs-webp/116067426.webp
scappare
Tutti scappavano dal fuoco.
wegrennen
Iedereen rende weg van het vuur.
cms/verbs-webp/33564476.webp
consegnare
Il ragazzo delle pizze consegna la pizza.
bezorgen
De pizzabezorger bezorgt de pizza.
cms/verbs-webp/32312845.webp
escludere
Il gruppo lo esclude.
uitsluiten
De groep sluit hem uit.
cms/verbs-webp/115373990.webp
apparire
Un grosso pesce è apparso improvvisamente nell’acqua.
verschijnen
Er verscheen plotseling een grote vis in het water.
cms/verbs-webp/71260439.webp
scrivere a
Mi ha scritto la settimana scorsa.
schrijven naar
Hij schreef me vorige week.
cms/verbs-webp/78073084.webp
sdraiarsi
Erano stanchi e si sono sdraiati.
liggen
Ze waren moe en gingen liggen.
cms/verbs-webp/94796902.webp
ritrovare la strada
Non riesco a ritrovare la strada di ritorno.
de weg terugvinden
Ik kan de weg terug niet vinden.