Woordenlijst
Leer werkwoorden – Italiaans
accadere
È accaduto qualcosa di brutto.
gebeuren
Er is iets ergs gebeurd.
ritagliare
Le forme devono essere ritagliate.
uitknippen
De vormen moeten worden uitgeknipt.
completare
Puoi completare il puzzle?
voltooien
Kun je de puzzel voltooien?
produrre
Si può produrre più economicamente con i robot.
produceren
Men kan goedkoper produceren met robots.
enfatizzare
Puoi enfatizzare i tuoi occhi bene con il trucco.
benadrukken
Je kunt je ogen goed benadrukken met make-up.
portare
L’asino porta un carico pesante.
dragen
De ezel draagt een zware last.
riparare
Voleva riparare il cavo.
repareren
Hij wilde de kabel repareren.
calciare
Nelle arti marziali, devi saper calciare bene.
schoppen
In vechtsporten moet je goed kunnen schoppen.
scrivere
Sta scrivendo una lettera.
schrijven
Hij schrijft een brief.
portare
Il fattorino sta portando il cibo.
brengen
De bezorger brengt het eten.
sperare
Molti sperano in un futuro migliore in Europa.
hopen
Velen hopen op een betere toekomst in Europa.