Ordforråd

Lær verb – nederlandsk

cms/verbs-webp/44518719.webp
bewandelen
Dit pad mag niet bewandeld worden.
Denne stien må ikke gås.
cms/verbs-webp/119847349.webp
horen
Ik kan je niet horen!
høre
Jeg kan ikke høre deg!
cms/verbs-webp/116166076.webp
betalen
Ze betaalt online met een creditcard.
betale
Hun betaler på nett med et kredittkort.
cms/verbs-webp/38296612.webp
bestaan
Dinosaurussen bestaan tegenwoordig niet meer.
eksistere
Dinosaurer eksisterer ikke lenger i dag.
cms/verbs-webp/92456427.webp
kopen
Ze willen een huis kopen.
kjøpe
De vil kjøpe et hus.
cms/verbs-webp/114272921.webp
drijven
De cowboys drijven het vee met paarden.
drive
Cowboyene driver kveget med hester.
cms/verbs-webp/117890903.webp
antwoorden
Zij antwoordt altijd eerst.
svare
Hun svarer alltid først.
cms/verbs-webp/63868016.webp
terugbrengen
De hond brengt het speelgoed terug.
returnere
Hunden returnerer leketøyet.
cms/verbs-webp/35071619.webp
voorbijgaan
De twee lopen elkaar voorbij.
passere forbi
De to passerer hverandre.
cms/verbs-webp/115847180.webp
helpen
Iedereen helpt de tent opzetten.
hjelpe
Alle hjelper til med å sette opp teltet.
cms/verbs-webp/120900153.webp
uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
gå ut
Barna vil endelig gå ut.
cms/verbs-webp/105623533.webp
moeten
Men zou veel water moeten drinken.
bør
Man bør drikke mye vann.