Ordforråd

Lær verb – nederlandsk

cms/verbs-webp/113316795.webp
inloggen
Je moet inloggen met je wachtwoord.
logge inn
Du må logge inn med passordet ditt.
cms/verbs-webp/73880931.webp
schoonmaken
De werker maakt het raam schoon.
vaske
Arbeideren vasker vinduet.
cms/verbs-webp/112444566.webp
praten met
Iemand zou met hem moeten praten; hij is zo eenzaam.
snakke med
Noen burde snakke med ham; han er så ensom.
cms/verbs-webp/120282615.webp
investeren
Waar moeten we ons geld in investeren?
investere
Hva skal vi investere pengene våre i?
cms/verbs-webp/71991676.webp
achterlaten
Ze hebben hun kind per ongeluk op het station achtergelaten.
glemme igjen
De glemte ved et uhell barnet sitt på stasjonen.
cms/verbs-webp/109071401.webp
omarmen
De moeder omarmt de kleine voetjes van de baby.
omfavne
Moren omfavner babyens små føtter.
cms/verbs-webp/108286904.webp
drinken
De koeien drinken water uit de rivier.
drikke
Kuene drikker vann fra elven.
cms/verbs-webp/125385560.webp
wassen
De moeder wast haar kind.
vaske
Moren vasker barnet sitt.
cms/verbs-webp/129244598.webp
beperken
Tijdens een dieet moet je je voedselinname beperken.
begrense
Under en diett må du begrense matinntaket ditt.
cms/verbs-webp/41918279.webp
weglopen
Onze zoon wilde van huis weglopen.
stikke av
Sønnen vår ønsket å stikke av hjemmefra.
cms/verbs-webp/85968175.webp
beschadigen
Twee auto’s raakten beschadigd bij het ongeluk.
skade
To biler ble skadet i ulykken.
cms/verbs-webp/102304863.webp
schoppen
Pas op, het paard kan schoppen!
sparke
Vær forsiktig, hesten kan sparke!