Woordenlijst

Leer werkwoorden – Noors

cms/verbs-webp/98294156.webp
handle
Folk handler med brukte møbler.
handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.
cms/verbs-webp/123298240.webp
møte
Vennene møttes til en felles middag.
ontmoeten
De vrienden ontmoetten elkaar voor een gezamenlijk diner.
cms/verbs-webp/118064351.webp
unngå
Han må unngå nøtter.
vermijden
Hij moet noten vermijden.
cms/verbs-webp/91643527.webp
sitte fast
Jeg sitter fast og finner ikke en vei ut.
vastzitten
Ik zit vast en kan geen uitweg vinden.
cms/verbs-webp/118868318.webp
like
Hun liker sjokolade mer enn grønnsaker.
houden van
Ze houdt meer van chocolade dan van groenten.
cms/verbs-webp/95190323.webp
stemme
Man stemmer for eller imot en kandidat.
stemmen
Men stemt voor of tegen een kandidaat.
cms/verbs-webp/51573459.webp
fremheve
Du kan fremheve øynene dine godt med sminke.
benadrukken
Je kunt je ogen goed benadrukken met make-up.
cms/verbs-webp/96668495.webp
trykke
Bøker og aviser blir trykt.
drukken
Boeken en kranten worden gedrukt.
cms/verbs-webp/96571673.webp
male
Han maler veggen hvit.
schilderen
Hij schildert de muur wit.
cms/verbs-webp/91367368.webp
gå tur
Familien går tur på søndager.
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.
cms/verbs-webp/115113805.webp
prate
De prater med hverandre.
kletsen
Ze kletsen met elkaar.
cms/verbs-webp/122010524.webp
påta seg
Jeg har påtatt meg mange reiser.
ondernemen
Ik heb veel reizen ondernomen.