Woordenlijst
Leer werkwoorden – Noors
få tur
Vennligst vent, du får snart din tur!
aan de beurt komen
Even wachten, je komt zo aan de beurt!
tillate
Man bør ikke tillate depresjon.
toestaan
Men mag depressie niet toestaan.
ringe
Klokken ringer hver dag.
rinkelen
De bel rinkelt elke dag.
bevise
Han vil bevise en matematisk formel.
bewijzen
Hij wil een wiskundige formule bewijzen.
omfavne
Moren omfavner babyens små føtter.
omarmen
De moeder omarmt de kleine voetjes van de baby.
ansette
Søkeren ble ansatt.
aannemen
De sollicitant werd aangenomen.
beholde
Du kan beholde pengene.
houden
Je mag het geld houden.
dekke
Vannliljene dekker vannet.
bedekken
De waterlelies bedekken het water.
svinge
Du kan svinge til venstre.
draaien
Je mag naar links draaien.
eie
Jeg eier en rød sportsbil.
bezitten
Ik bezit een rode sportwagen.
gifte seg
Mindreårige har ikke lov til å gifte seg.
trouwen
Minderjarigen mogen niet trouwen.