Woordenlijst
Leer werkwoorden – Noors
gå tur
Familien går tur på søndager.
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.
stikke av
Sønnen vår ønsket å stikke av hjemmefra.
weglopen
Onze zoon wilde van huis weglopen.
føle
Han føler seg ofte alene.
voelen
Hij voelt zich vaak alleen.
spise frokost
Vi foretrekker å spise frokost i senga.
ontbijten
We ontbijten het liefst op bed.
dra
Han drar sleden.
trekken
Hij trekt de slee.
strekke ut
Han strekker armene sine vidt.
uitspreiden
Hij spreidt zijn armen wijd uit.
gå galt
Alt går galt i dag!
misgaan
Alles gaat vandaag mis!
male
Jeg vil male leiligheten min.
schilderen
Ik wil mijn appartement schilderen.
diskutere
Kollegaene diskuterer problemet.
bespreken
De collega’s bespreken het probleem.
forbinde
Denne broen forbinder to nabolag.
verbinden
Deze brug verbindt twee wijken.
endre
Mye har endret seg på grunn av klimaendringer.
veranderen
Veel is veranderd door klimaatverandering.