Woordenlijst
Leer werkwoorden – Noors
handle
Folk handler med brukte møbler.
handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.
møte
Vennene møttes til en felles middag.
ontmoeten
De vrienden ontmoetten elkaar voor een gezamenlijk diner.
unngå
Han må unngå nøtter.
vermijden
Hij moet noten vermijden.
sitte fast
Jeg sitter fast og finner ikke en vei ut.
vastzitten
Ik zit vast en kan geen uitweg vinden.
like
Hun liker sjokolade mer enn grønnsaker.
houden van
Ze houdt meer van chocolade dan van groenten.
stemme
Man stemmer for eller imot en kandidat.
stemmen
Men stemt voor of tegen een kandidaat.
fremheve
Du kan fremheve øynene dine godt med sminke.
benadrukken
Je kunt je ogen goed benadrukken met make-up.
trykke
Bøker og aviser blir trykt.
drukken
Boeken en kranten worden gedrukt.
male
Han maler veggen hvit.
schilderen
Hij schildert de muur wit.
gå tur
Familien går tur på søndager.
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.
prate
De prater med hverandre.
kletsen
Ze kletsen met elkaar.