Ordliste
Lær adverbier – Nederlandsk
genoeg
Ze wil slapen en heeft genoeg van het lawaai.
nok
Hun vil sove og har fået nok af støjen.
te veel
Het werk wordt me te veel.
for meget
Arbejdet bliver for meget for mig.
al
Het huis is al verkocht.
allerede
Huset er allerede solgt.
in
Ze springen in het water.
ind
De hopper ind i vandet.
een beetje
Ik wil een beetje meer.
lidt
Jeg vil gerne have lidt mere.
buiten
We eten vandaag buiten.
udenfor
Vi spiser udenfor i dag.
‘s nachts
De maan schijnt ‘s nachts.
om natten
Månen skinner om natten.
nergens
Deze sporen leiden naar nergens.
ingen steder
Disse spor fører ingen steder hen.
maar
Het huis is klein maar romantisch.
men
Huset er lille, men romantisk.
ooit
Heb je ooit al je geld aan aandelen verloren?
nogensinde
Har du nogensinde mistet alle dine penge i aktier?
al
Hij slaapt al.
allerede
Han er allerede i søvn.