Ordliste
Lær verber – Nederlandsk
liegen
Hij liegt vaak als hij iets wil verkopen.
lyve
Han lyver ofte, når han vil sælge noget.
rijden
Kinderen rijden graag op fietsen of steps.
ride
Børn kan lide at ride på cykler eller løbehjul.
overnachten
We overnachten in de auto.
overnatte
Vi overnatter i bilen.
samenbrengen
De taalcursus brengt studenten van over de hele wereld samen.
samle
Sprogkurset samler studerende fra hele verden.
gebruiken
Zelfs kleine kinderen gebruiken tablets.
bruge
Selv små børn bruger tablets.
binnenkomen
Het schip komt de haven binnen.
gå ind
Skibet går ind i havnen.
lukken
Deze keer is het niet gelukt.
lykkes
Det lykkedes ikke denne gang.
verschijnen
Er verscheen plotseling een grote vis in het water.
dukke op
En kæmpe fisk dukkede pludselig op i vandet.
verkiezen
Onze dochter leest geen boeken; ze verkiest haar telefoon.
foretrække
Vores datter læser ikke bøger; hun foretrækker sin telefon.
leiden
Hij leidt graag een team.
lede
Han nyder at lede et team.
overtuigen
Ze moet haar dochter vaak overtuigen om te eten.
overtale
Hun skal ofte overtale sin datter til at spise.