Ordliste
Lær verber – Nederlandsk
naar buiten rennen
Ze rent met de nieuwe schoenen naar buiten.
løbe ud
Hun løber ud med de nye sko.
antwoorden
Zij antwoordt altijd eerst.
svare
Hun svarer altid først.
negeren
Het kind negeert de woorden van zijn moeder.
ignorere
Barnet ignorerer sin mors ord.
uitleggen
Ze legt hem uit hoe het apparaat werkt.
forklare
Hun forklarer ham, hvordan apparatet fungerer.
bedekken
Ze heeft het brood met kaas bedekt.
dække
Hun har dækket brødet med ost.
vechten
De atleten vechten tegen elkaar.
kæmpe
Atleterne kæmper mod hinanden.
praten met
Iemand zou met hem moeten praten; hij is zo eenzaam.
tale med
Nogen bør tale med ham; han er så ensom.
uitknijpen
Ze knijpt de citroen uit.
presse ud
Hun presser citronen ud.
bewijzen
Hij wil een wiskundige formule bewijzen.
bevise
Han vil bevise en matematisk formel.
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
sende
Varerne bliver sendt til mig i en pakke.
voorbijgaan
De twee lopen elkaar voorbij.
passere
De to passerer hinanden.