Ordliste

Lær verber – Nederlandsk

cms/verbs-webp/61806771.webp
brengen
De koerier brengt een pakketje.
bringe
Budbringeren bringer en pakke.
cms/verbs-webp/110045269.webp
voltooien
Hij voltooit elke dag zijn jogroute.
fuldføre
Han fuldfører sin joggingrute hver dag.
cms/verbs-webp/46385710.webp
accepteren
Creditcards worden hier geaccepteerd.
acceptere
Kreditkort accepteres her.
cms/verbs-webp/101765009.webp
begeleiden
De hond begeleidt hen.
ledsage
Hunden ledsager dem.
cms/verbs-webp/119520659.webp
ter sprake brengen
Hoe vaak moet ik dit argument ter sprake brengen?
bringe op
Hvor mange gange skal jeg bringe dette argument op?
cms/verbs-webp/90539620.webp
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
Tiden går nogle gange langsomt.
cms/verbs-webp/101890902.webp
produceren
We produceren onze eigen honing.
producere
Vi producerer vores egen honning.
cms/verbs-webp/68761504.webp
controleren
De tandarts controleert het gebit van de patiënt.
tjekke
Tandlægen tjekker patientens tandsæt.
cms/verbs-webp/105934977.webp
genereren
We genereren elektriciteit met wind en zonlicht.
generere
Vi genererer elektricitet med vind og sollys.
cms/verbs-webp/102631405.webp
vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.
glemme
Hun vil ikke glemme fortiden.
cms/verbs-webp/124046652.webp
voorgaan
Gezondheid gaat altijd voor!
komme først
Sundhed kommer altid først!
cms/verbs-webp/65199280.webp
achterna rennen
De moeder rent achter haar zoon aan.
løbe efter
Moderen løber efter sin søn.