Ordliste
Lær verber – Nederlandsk
bezoeken
Een oude vriend bezoekt haar.
besøge
En gammel ven besøger hende.
begrijpen
Ik kan je niet begrijpen!
forstå
Jeg kan ikke forstå dig!
vervangen
De automonteur vervangt de banden.
skifte
Bilmekanikeren skifter dæk.
teruggaan
Hij kan niet alleen teruggaan.
gå tilbage
Han kan ikke gå tilbage alene.
drinken
Ze drinkt thee.
drikke
Hun drikker te.
eindigen
De route eindigt hier.
ende
Ruten ender her.
trekken
Hoe gaat hij die grote vis eruit trekken?
trække ud
Hvordan skal han trække den store fisk op?
terechtkomen
Hoe zijn we in deze situatie terechtgekomen?
ende op
Hvordan endte vi op i denne situation?
toelopen
Het meisje loopt naar haar moeder toe.
løbe hen imod
Pigen løber hen imod sin mor.
verliezen
Wacht, je hebt je portemonnee verloren!
miste
Vent, du har mistet din tegnebog!
geven
De vader wil zijn zoon wat extra geld geven.
give
Faderen vil give sin søn lidt ekstra penge.