Ordliste
Lær verber – Nederlandsk
brengen
De koerier brengt een pakketje.
bringe
Budbringeren bringer en pakke.
voltooien
Hij voltooit elke dag zijn jogroute.
fuldføre
Han fuldfører sin joggingrute hver dag.
accepteren
Creditcards worden hier geaccepteerd.
acceptere
Kreditkort accepteres her.
begeleiden
De hond begeleidt hen.
ledsage
Hunden ledsager dem.
ter sprake brengen
Hoe vaak moet ik dit argument ter sprake brengen?
bringe op
Hvor mange gange skal jeg bringe dette argument op?
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
gå
Tiden går nogle gange langsomt.
produceren
We produceren onze eigen honing.
producere
Vi producerer vores egen honning.
controleren
De tandarts controleert het gebit van de patiënt.
tjekke
Tandlægen tjekker patientens tandsæt.
genereren
We genereren elektriciteit met wind en zonlicht.
generere
Vi genererer elektricitet med vind og sollys.
vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.
glemme
Hun vil ikke glemme fortiden.
voorgaan
Gezondheid gaat altijd voor!
komme først
Sundhed kommer altid først!