Ordliste

Lær verber – Nederlandsk

cms/verbs-webp/103719050.webp
ontwikkelen
Ze ontwikkelen een nieuwe strategie.
udvikle
De udvikler en ny strategi.
cms/verbs-webp/112408678.webp
uitnodigen
Wij nodigen je uit voor ons oudejaarsfeest.
invitere
Vi inviterer dig til vores nytårsfest.
cms/verbs-webp/80116258.webp
evalueren
Hij evalueert de prestaties van het bedrijf.
evaluere
Han evaluerer virksomhedens præstation.
cms/verbs-webp/61162540.webp
activeren
De rook activeerde het alarm.
udløse
Røgen udløste alarmen.
cms/verbs-webp/112407953.webp
luisteren
Ze luistert en hoort een geluid.
lytte
Hun lytter og hører en lyd.
cms/verbs-webp/106088706.webp
opstaan
Ze kan niet meer zelfstandig opstaan.
rejse sig
Hun kan ikke længere rejse sig selv.
cms/verbs-webp/91442777.webp
stappen op
Ik kan met deze voet niet op de grond stappen.
træde på
Jeg kan ikke træde på jorden med denne fod.
cms/verbs-webp/104476632.webp
afwassen
Ik hou niet van afwassen.
vaske op
Jeg kan ikke lide at vaske op.
cms/verbs-webp/51465029.webp
achterlopen
De klok loopt een paar minuten achter.
gå langsomt
Uret går et par minutter langsomt.
cms/verbs-webp/87153988.webp
bevorderen
We moeten alternatieven voor autoverkeer bevorderen.
fremme
Vi skal fremme alternativer til biltrafik.
cms/verbs-webp/80332176.webp
onderstrepen
Hij onderstreepte zijn uitspraak.
understrege
Han understregede sin udtalelse.
cms/verbs-webp/102304863.webp
schoppen
Pas op, het paard kan schoppen!
sparke
Vær forsigtig, hesten kan sparke!