Ordliste
Lær verber – Nederlandsk
worden dronken
Hij wordt bijna elke avond dronken.
blive fuld
Han bliver fuld næsten hver aften.
beperken
Tijdens een dieet moet je je voedselinname beperken.
begrænse
Under en diæt skal man begrænse sit madindtag.
uitsluiten
De groep sluit hem uit.
udelukke
Gruppen udelukker ham.
beschermen
Een helm moet tegen ongelukken beschermen.
beskytte
En hjelm skal beskytte mod ulykker.
veroorzaken
Alcohol kan hoofdpijn veroorzaken.
forårsage
Alkohol kan forårsage hovedpine.
verrassen
Ze verraste haar ouders met een cadeau.
overraske
Hun overraskede sine forældre med en gave.
overnachten
We overnachten in de auto.
overnatte
Vi overnatter i bilen.
smaken
Dit smaakt echt goed!
smage
Dette smager virkelig godt!
liegen
Hij liegt vaak als hij iets wil verkopen.
lyve
Han lyver ofte, når han vil sælge noget.
uitgeven
Ze heeft al haar geld uitgegeven.
bruge
Hun brugte alle sine penge.
reizen
We reizen graag door Europa.
rejse
Vi kan godt lide at rejse gennem Europa.