Vocabulari
Aprèn verbs – neerlandès
herhalen
Kun je dat alstublieft herhalen?
repetir
Pots repetir-ho, si us plau?
rondrijden
De auto’s rijden in een cirkel rond.
conduir al voltant
Els cotxes condueixen en cercle.
terugrijden
De moeder rijdt met de dochter terug naar huis.
portar de tornada
La mare porta la filla de tornada a casa.
liegen
Hij liegt vaak als hij iets wil verkopen.
mentir
Ell sovint menteix quan vol vendre alguna cosa.
opschrijven
Ze wil haar zakelijk idee opschrijven.
apuntar
Ella vol apuntar la seva idea de negoci.
drukken
Boeken en kranten worden gedrukt.
imprimir
Es imprimeixen llibres i diaris.
omgaan
Men moet met problemen omgaan.
manejar
Cal manejar els problemes.
voorbijgaan
De twee lopen elkaar voorbij.
passar per
Els dos passen l’un per l’altre.
wachten
Ze wacht op de bus.
esperar
Ella està esperant l’autobús.
herinneren
De computer herinnert me aan mijn afspraken.
recordar
L’ordinador em recorda les meves cites.
gebeuren
Vreemde dingen gebeuren in dromen.
passar
Coses estranyes passen en somnis.