Vocabulari
Aprèn verbs – neerlandès
ter sprake brengen
Hoe vaak moet ik dit argument ter sprake brengen?
mencionar
Quantas vegades he de mencionar aquest argument?
uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.
fer la marmota
Volen fer la marmota una nit, per fi.
beginnen
De soldaten beginnen.
començar
Els soldats estan començant.
schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.
netejar
Ella neteja la cuina.
belasten
Bedrijven worden op verschillende manieren belast.
taxar
Les empreses són taxades de diverses maneres.
rijden
Ze rijden zo snel als ze kunnen.
muntar
Ells muntan tan ràpid com poden.
beginnen met rennen
De atleet staat op het punt om te beginnen met rennen.
començar a córrer
L’atleta està a punt de començar a córrer.
doorgaan
Kan de kat door dit gat gaan?
passar
Pot passar el gat per aquest forat?
vertrouwen
We vertrouwen elkaar allemaal.
confiar
Tots confiem els uns en els altres.
meenemen
We hebben een kerstboom meegenomen.
portar
Vam portar un arbre de Nadal.
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
enviar
Les mercaderies em seran enviades en un paquet.