Woordenlijst
Leer werkwoorden – Deens
kaste
Han kaster vredt sin computer på gulvet.
gooien
Hij gooit zijn computer boos op de grond.
svømme
Hun svømmer regelmæssigt.
zwemmen
Ze zwemt regelmatig.
give væk
Hun giver sit hjerte væk.
weggeven
Ze geeft haar hart weg.
arbejde på
Han skal arbejde på alle disse filer.
werken aan
Hij moet aan al deze bestanden werken.
fjerne
Gravemaskinen fjerner jorden.
verwijderen
De graafmachine verwijdert de grond.
oversætte
Han kan oversætte mellem seks sprog.
vertalen
Hij kan tussen zes talen vertalen.
kaste til
De kaster bolden til hinanden.
gooien naar
Ze gooien de bal naar elkaar.
skabe
Han har skabt en model for huset.
creëren
Hij heeft een model voor het huis gecreëerd.
vende
Hun vender kødet.
draaien
Ze draait het vlees.
stemme
Vælgerne stemmer om deres fremtid i dag.
stemmen
De kiezers stemmen vandaag over hun toekomst.
modtage
Han modtog en lønforhøjelse fra sin chef.
ontvangen
Hij ontving een loonsverhoging van zijn baas.