Woordenlijst

Leer werkwoorden – Deens

cms/verbs-webp/67095816.webp
flytte sammen
De to planlægger at flytte sammen snart.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
cms/verbs-webp/108295710.webp
stave
Børnene lærer at stave.
spellen
De kinderen leren spellen.
cms/verbs-webp/99196480.webp
parkere
Bilerne er parkeret i parkeringskælderen.
parkeren
De auto’s staan in de ondergrondse garage geparkeerd.
cms/verbs-webp/75281875.webp
tage sig af
Vores pedel tager sig af snerydningen.
zorgen voor
Onze conciërge zorgt voor de sneeuwruiming.
cms/verbs-webp/102631405.webp
glemme
Hun vil ikke glemme fortiden.
vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.
cms/verbs-webp/88615590.webp
beskrive
Hvordan kan man beskrive farver?
beschrijven
Hoe kun je kleuren beschrijven?
cms/verbs-webp/120978676.webp
brænde ned
Ilden vil brænde en stor del af skoven ned.
afbranden
Het vuur zal een groot deel van het bos afbranden.
cms/verbs-webp/130288167.webp
rengøre
Hun rengør køkkenet.
schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.
cms/verbs-webp/103910355.webp
sidde
Mange mennesker sidder i rummet.
zitten
Er zitten veel mensen in de kamer.
cms/verbs-webp/119289508.webp
beholde
Du kan beholde pengene.
houden
Je mag het geld houden.
cms/verbs-webp/58477450.webp
udleje
Han udlejer sit hus.
verhuren
Hij verhuurt zijn huis.
cms/verbs-webp/104135921.webp
gå ind
Han går ind i hotelværelset.
binnenkomen
Hij komt de hotelkamer binnen.