Woordenlijst
Leer werkwoorden – Deens
flytte sammen
De to planlægger at flytte sammen snart.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
stave
Børnene lærer at stave.
spellen
De kinderen leren spellen.
parkere
Bilerne er parkeret i parkeringskælderen.
parkeren
De auto’s staan in de ondergrondse garage geparkeerd.
tage sig af
Vores pedel tager sig af snerydningen.
zorgen voor
Onze conciërge zorgt voor de sneeuwruiming.
glemme
Hun vil ikke glemme fortiden.
vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.
beskrive
Hvordan kan man beskrive farver?
beschrijven
Hoe kun je kleuren beschrijven?
brænde ned
Ilden vil brænde en stor del af skoven ned.
afbranden
Het vuur zal een groot deel van het bos afbranden.
rengøre
Hun rengør køkkenet.
schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.
sidde
Mange mennesker sidder i rummet.
zitten
Er zitten veel mensen in de kamer.
beholde
Du kan beholde pengene.
houden
Je mag het geld houden.
udleje
Han udlejer sit hus.
verhuren
Hij verhuurt zijn huis.