Словарь

Изучите глаголы – нидерландский

cms/verbs-webp/35862456.webp
beginnen
Een nieuw leven begint met een huwelijk.
начинать
С браком начинается новая жизнь.
cms/verbs-webp/101890902.webp
produceren
We produceren onze eigen honing.
производить
Мы производим свой мед.
cms/verbs-webp/115291399.webp
willen
Hij wil te veel!
хотеть
Он хочет слишком много!
cms/verbs-webp/125088246.webp
imiteren
Het kind imiteert een vliegtuig.
имитировать
Ребенок имитирует самолет.
cms/verbs-webp/93697965.webp
rondrijden
De auto’s rijden in een cirkel rond.
ездить
Машины ездят по кругу.
cms/verbs-webp/117491447.webp
afhangen van
Hij is blind en is afhankelijk van hulp van buitenaf.
зависеть
Он слеп и зависит от посторонней помощи.
cms/verbs-webp/116610655.webp
bouwen
Wanneer werd de Chinese Muur gebouwd?
строить
Когда была построена Великая китайская стена?
cms/verbs-webp/109766229.webp
voelen
Hij voelt zich vaak alleen.
чувствовать
Он часто чувствует себя одиноким.
cms/verbs-webp/63457415.webp
vereenvoudigen
Je moet ingewikkelde dingen voor kinderen vereenvoudigen.
упрощать
Для детей сложные вещи нужно упрощать.
cms/verbs-webp/8482344.webp
kussen
Hij kust de baby.
целовать
Он целует ребенка.
cms/verbs-webp/101765009.webp
begeleiden
De hond begeleidt hen.
сопровождать
Собака сопровождает их.
cms/verbs-webp/28642538.webp
laten staan
Vandaag moeten velen hun auto’s laten staan.
оставлять стоять
Сегодня многие должны оставить свои машины стоять.