Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
sorteren
Hij sorteert graag zijn postzegels.
sort
He likes sorting his stamps.
dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.
come closer
The snails are coming closer to each other.
uitoefenen
Ze oefent een ongewoon beroep uit.
exercise
She exercises an unusual profession.
bezitten
Ik bezit een rode sportwagen.
own
I own a red sports car.
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
pass
Time sometimes passes slowly.
genereren
We genereren elektriciteit met wind en zonlicht.
generate
We generate electricity with wind and sunlight.
kijken
Iedereen kijkt naar hun telefoons.
look
Everyone is looking at their phones.
bedekken
Ze bedekt haar gezicht.
cover
She covers her face.
beheren
Wie beheert het geld in jouw gezin?
manage
Who manages the money in your family?
ontwikkelen
Ze ontwikkelen een nieuwe strategie.
develop
They are developing a new strategy.
weggooien
Hij stapt op een weggegooide bananenschil.
throw away
He steps on a thrown-away banana peel.