Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
ter beschikking hebben
Kinderen hebben alleen zakgeld ter beschikking.
have at disposal
Children only have pocket money at their disposal.
ontvangen
Ze ontving een heel mooi cadeau.
receive
She received a very nice gift.
beschadigen
Twee auto’s raakten beschadigd bij het ongeluk.
damage
Two cars were damaged in the accident.
lezen
Ik kan niet zonder bril lezen.
read
I can’t read without glasses.
voeden
De kinderen voeden het paard.
feed
The kids are feeding the horse.
overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.
jump over
The athlete must jump over the obstacle.
ontvangen
Hij ontving een loonsverhoging van zijn baas.
receive
He received a raise from his boss.
ziektebriefje halen
Hij moet een ziektebriefje halen bij de dokter.
get a sick note
He has to get a sick note from the doctor.
de weg terugvinden
Ik kan de weg terug niet vinden.
find one’s way back
I can’t find my way back.
durven
Ze durfden uit het vliegtuig te springen.
dare
They dared to jump out of the airplane.
samenwerken
We werken samen als een team.
work together
We work together as a team.