Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
gaan
Waar is het meer dat hier was heengegaan?
go
Where did the lake that was here go?
nemen
Ze moet veel medicatie nemen.
take
She has to take a lot of medication.
tentoonstellen
Hier wordt moderne kunst tentoongesteld.
exhibit
Modern art is exhibited here.
investeren
Waar moeten we ons geld in investeren?
invest
What should we invest our money in?
verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.
sell
The traders are selling many goods.
vervangen
De automonteur vervangt de banden.
change
The car mechanic is changing the tires.
staan
De bergbeklimmer staat op de top.
stand
The mountain climber is standing on the peak.
out-of-the-box denken
Om succesvol te zijn, moet je soms out-of-the-box denken.
think outside the box
To be successful, you have to think outside the box sometimes.
gebruiken
Zelfs kleine kinderen gebruiken tablets.
use
Even small children use tablets.
zingen
De kinderen zingen een lied.
sing
The children sing a song.
oprapen
We moeten alle appels oprapen.
pick up
We have to pick up all the apples.