Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
verwijzen
De leraar verwijst naar het voorbeeld op het bord.
refer
The teacher refers to the example on the board.
bereiden
Ze bereidt een taart.
prepare
She is preparing a cake.
oefenen
Hij oefent elke dag met zijn skateboard.
practice
He practices every day with his skateboard.
opstaan
Ze kan niet meer zelfstandig opstaan.
stand up
She can no longer stand up on her own.
sparen
Het meisje spaart haar zakgeld.
save
The girl is saving her pocket money.
doden
Ik zal de vlieg doden!
kill
I will kill the fly!
willen
Hij wil te veel!
want
He wants too much!
leuk vinden
Het kind vindt het nieuwe speelgoed leuk.
like
The child likes the new toy.
corrigeren
De leraar corrigeert de essays van de studenten.
correct
The teacher corrects the students’ essays.
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
snow
It snowed a lot today.
ontdekken
De zeelieden hebben een nieuw land ontdekt.
discover
The sailors have discovered a new land.