Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
omgaan
Men moet met problemen omgaan.
handle
One has to handle problems.
verliezen
Wacht, je hebt je portemonnee verloren!
lose
Wait, you’ve lost your wallet!
bezoeken
Een oude vriend bezoekt haar.
visit
An old friend visits her.
liegen
Soms moet men liegen in een noodsituatie.
lie
Sometimes one has to lie in an emergency situation.
sturen
Ik stuur je een brief.
send
I am sending you a letter.
hangen
IJsspegels hangen van het dak.
hang down
Icicles hang down from the roof.
verhuren
Hij verhuurt zijn huis.
rent out
He is renting out his house.
klinken
Haar stem klinkt fantastisch.
sound
Her voice sounds fantastic.
schreeuwen
Als je gehoord wilt worden, moet je je boodschap luid schreeuwen.
shout
If you want to be heard, you have to shout your message loudly.
ontslaan
De baas heeft hem ontslagen.
fire
The boss has fired him.
moeten gaan
Ik heb dringend vakantie nodig; ik moet gaan!
need to go
I urgently need a vacation; I have to go!