Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
luisteren
Hij luistert graag naar de buik van zijn zwangere vrouw.
listen
He likes to listen to his pregnant wife’s belly.
schoppen
In vechtsporten moet je goed kunnen schoppen.
kick
In martial arts, you must be able to kick well.
trainen
De hond wordt door haar getraind.
train
The dog is trained by her.
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
drive home
After shopping, the two drive home.
verwijderen
Onkruid moet verwijderd worden.
pull out
Weeds need to be pulled out.
uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
go out
The kids finally want to go outside.
huilen
Het kind huilt in het bad.
cry
The child is crying in the bathtub.
plukken
Ze plukte een appel.
pick
She picked an apple.
gemakkelijk gaan
Surfen gaat hem gemakkelijk af.
come easy
Surfing comes easily to him.
omarmen
De moeder omarmt de kleine voetjes van de baby.
embrace
The mother embraces the baby’s little feet.
missen
Hij mist zijn vriendin erg.
miss
He misses his girlfriend a lot.