Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
rijden
Ze rijden zo snel als ze kunnen.
ride
They ride as fast as they can.
gemakkelijk gaan
Surfen gaat hem gemakkelijk af.
come easy
Surfing comes easily to him.
testen
De auto wordt in de werkplaats getest.
test
The car is being tested in the workshop.
samenwerken
We werken samen als een team.
work together
We work together as a team.
doorlaten
Moeten vluchtelingen aan de grenzen worden doorgelaten?
let through
Should refugees be let through at the borders?
verwijderen
Onkruid moet verwijderd worden.
pull out
Weeds need to be pulled out.
naar beneden kijken
Ik kon vanuit het raam naar het strand beneden kijken.
look down
I could look down on the beach from the window.
voltooien
Hij voltooit elke dag zijn jogroute.
complete
He completes his jogging route every day.
vermijden
Ze vermijdt haar collega.
avoid
She avoids her coworker.
tegenover liggen
Daar is het kasteel - het ligt er recht tegenover!
lie opposite
There is the castle - it lies right opposite!
sturen
Dit bedrijf stuurt goederen over de hele wereld.
send
This company sends goods all over the world.