Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (US)
manage
Who manages the money in your family?
beheren
Wie beheert het geld in jouw gezin?
thank
I thank you very much for it!
bedanken
Ik bedank je er heel erg voor!
set aside
I want to set aside some money for later every month.
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
enter
He enters the hotel room.
binnenkomen
Hij komt de hotelkamer binnen.
guarantee
Insurance guarantees protection in case of accidents.
garanderen
Verzekering garandeert bescherming bij ongevallen.
sit
Many people are sitting in the room.
zitten
Er zitten veel mensen in de kamer.
start
School is just starting for the kids.
beginnen
School begint net voor de kinderen.
destroy
The tornado destroys many houses.
vernielen
De tornado vernielt veel huizen.
summarize
You need to summarize the key points from this text.
samenvatten
Je moet de belangrijkste punten uit deze tekst samenvatten.
cover
She has covered the bread with cheese.
bedekken
Ze heeft het brood met kaas bedekt.
pick up
We have to pick up all the apples.
oprapen
We moeten alle appels oprapen.