Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (US)
wash up
I don’t like washing the dishes.
afwassen
Ik hou niet van afwassen.
forget
She doesn’t want to forget the past.
vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.
hang
Both are hanging on a branch.
hangen
Ze hangen beide aan een tak.
pass by
The two pass by each other.
voorbijgaan
De twee lopen elkaar voorbij.
end up
How did we end up in this situation?
terechtkomen
Hoe zijn we in deze situatie terechtgekomen?
clean
She cleans the kitchen.
schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.
transport
We transport the bikes on the car roof.
vervoeren
We vervoeren de fietsen op het dak van de auto.
listen
She listens and hears a sound.
luisteren
Ze luistert en hoort een geluid.
pursue
The cowboy pursues the horses.
achtervolgen
De cowboy achtervolgt de paarden.
come out
What comes out of the egg?
uitkomen
Wat komt er uit het ei?
pull
He pulls the sled.
trekken
Hij trekt de slee.