Лексика

Изучите глаголы – нидерландский

cms/verbs-webp/4553290.webp
binnenkomen
Het schip komt de haven binnen.
входить
Корабль входит в гавань.
cms/verbs-webp/68435277.webp
komen
Ik ben blij dat je bent gekomen!
приходить
Рад, что ты пришел!
cms/verbs-webp/70624964.webp
plezier hebben
We hebben veel plezier gehad op de kermis!
веселиться
Мы хорошо повеселились на ярмарке!
cms/verbs-webp/116835795.webp
aankomen
Veel mensen komen op vakantie met een camper aan.
прибывать
Многие люди прибывают на каникулы на автодомах.
cms/verbs-webp/44518719.webp
bewandelen
Dit pad mag niet bewandeld worden.
ходить
По этой тропе ходить нельзя.
cms/verbs-webp/95543026.webp
deelnemen
Hij neemt deel aan de race.
участвовать
Он участвует в гонке.
cms/verbs-webp/123953850.webp
redden
De dokters konden zijn leven redden.
спасать
Докторам удалось спасти ему жизнь.
cms/verbs-webp/119895004.webp
schrijven
Hij schrijft een brief.
писать
Он пишет письмо.
cms/verbs-webp/73751556.webp
bidden
Hij bidt in stilte.
молиться
Он молится тихо.
cms/verbs-webp/58292283.webp
eisen
Hij eist compensatie.
требовать
Он требует компенсации.
cms/verbs-webp/102049516.webp
verlaten
De man vertrekt.
уходить
Мужчина уходит.
cms/verbs-webp/96476544.webp
vaststellen
De datum wordt vastgesteld.
назначать
Дата назначается.