אוצר מילים
למד פעלים – הולנדית
schilderen
Hij schildert de muur wit.
לצבוע
הוא צובע את הקיר לבן.
ontbijten
We ontbijten het liefst op bed.
אוכלים
אנו מעדיפים לאכול ארוחת בוקר במיטה.
vernielen
De tornado vernielt veel huizen.
הטורנדו מחריב
הטורנדו מחריב הרבה בתים.
beschadigen
Twee auto’s raakten beschadigd bij het ongeluk.
נפגעו
שתי מכוניות נפגעו בתאונה.
op maat snijden
De stof wordt op maat gesneden.
נחתכים
הבד נחתך לגודל.
plaatsvinden
De begrafenis vond eergisteren plaats.
להתרחש
ההלוויה התרחשה שלשום.
kijken
Ze kijkt door een gat.
להסתכל
היא מסתכלת דרך חור.
voelen
Hij voelt zich vaak alleen.
מרגיש
הוא מרגיש לעתים קרובות בודד.
omgaan
Men moet met problemen omgaan.
להתמודד
צריך להתמודד עם בעיות.
verwijderen
Onkruid moet verwijderd worden.
להוציא
עליך להוציא את העשבים המזיקים.
eindigen
De route eindigt hier.
מסתיימת
המסלול מסתיים כאן.