Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands
zitten
Ze zit bij de zee tijdens zonsondergang.
sit
Sy sit by die see met sonsak.
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.
stap
Hy hou daarvan om in die woud te stap.
roepen
De jongen roept zo luid als hij kan.
roep
Die seun roep so hard soos hy kan.
omgaan
Men moet met problemen omgaan.
hanteer
Mens moet probleme hanteer.
kussen
Hij kust de baby.
soen
Hy soen die baba.
verlaten
Toeristen verlaten het strand rond de middag.
verlaat
Toeriste verlaat die strand teen middag.
met de trein gaan
Ik ga er met de trein heen.
met die trein gaan
Ek sal daarheen met die trein gaan.
bedekken
Ze heeft het brood met kaas bedekt.
bedek
Sy het die brood met kaas bedek.
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
verbygaan
Tyd gaan soms stadig verby.
beschermen
De moeder beschermt haar kind.
beskerm
Die moeder beskerm haar kind.
horen
Ik kan je niet horen!
hoor
Ek kan jou nie hoor nie!