Woordeskat

Leer Werkwoorde – Nederlands

cms/verbs-webp/83776307.webp
verhuizen
Mijn neefje gaat verhuizen.
trek
My nefie is besig om te trek.
cms/verbs-webp/64053926.webp
overwinnen
De atleten overwinnen de waterval.
oorkom
Die atlete oorkom die waterval.
cms/verbs-webp/18316732.webp
doorrijden
De auto rijdt door een boom.
ry deur
Die kar ry deur ’n boom.
cms/verbs-webp/110347738.webp
verheugen
Het doelpunt verheugt de Duitse voetbalfans.
verbly
Die doel verbly die Duitse sokkerondersteuners.
cms/verbs-webp/77646042.webp
verbranden
Je moet geen geld verbranden.
brand
Jy moet nie geld brand nie.
cms/verbs-webp/105875674.webp
schoppen
In vechtsporten moet je goed kunnen schoppen.
skop
In vegkuns moet jy goed kan skop.
cms/verbs-webp/36190839.webp
bestrijden
De brandweer bestrijdt het vuur vanuit de lucht.
veg
Die brandweer beveg die brand vanuit die lug.
cms/verbs-webp/32685682.webp
bewust zijn van
Het kind is zich bewust van de ruzie van zijn ouders.
bewus wees van
Die kind is bewus van sy ouers se argument.
cms/verbs-webp/46998479.webp
bespreken
Ze bespreken hun plannen.
bespreek
Hulle bespreek hul planne.
cms/verbs-webp/122638846.webp
sprakeloos maken
De verrassing maakt haar sprakeloos.
stomslaan
Die verrassing slaan haar stom.
cms/verbs-webp/98294156.webp
handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.
handel
Mense handel in gebruikte meubels.
cms/verbs-webp/57481685.webp
overdoen
De student heeft een jaar overgedaan.
’n jaar herhaal
Die student het ’n jaar herhaal.