Woordeskat

Leer Werkwoorde – Nederlands

cms/verbs-webp/106622465.webp
zitten
Ze zit bij de zee tijdens zonsondergang.
sit
Sy sit by die see met sonsak.
cms/verbs-webp/120624757.webp
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.
stap
Hy hou daarvan om in die woud te stap.
cms/verbs-webp/91906251.webp
roepen
De jongen roept zo luid als hij kan.
roep
Die seun roep so hard soos hy kan.
cms/verbs-webp/102169451.webp
omgaan
Men moet met problemen omgaan.
hanteer
Mens moet probleme hanteer.
cms/verbs-webp/8482344.webp
kussen
Hij kust de baby.
soen
Hy soen die baba.
cms/verbs-webp/125400489.webp
verlaten
Toeristen verlaten het strand rond de middag.
verlaat
Toeriste verlaat die strand teen middag.
cms/verbs-webp/43483158.webp
met de trein gaan
Ik ga er met de trein heen.
met die trein gaan
Ek sal daarheen met die trein gaan.
cms/verbs-webp/110646130.webp
bedekken
Ze heeft het brood met kaas bedekt.
bedek
Sy het die brood met kaas bedek.
cms/verbs-webp/90539620.webp
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
verbygaan
Tyd gaan soms stadig verby.
cms/verbs-webp/74176286.webp
beschermen
De moeder beschermt haar kind.
beskerm
Die moeder beskerm haar kind.
cms/verbs-webp/119847349.webp
horen
Ik kan je niet horen!
hoor
Ek kan jou nie hoor nie!
cms/verbs-webp/57248153.webp
vermelden
De baas vermeldde dat hij hem zal ontslaan.
noem
Die baas het genoem dat hy hom sal ontslaan.