Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands
verhuizen
Mijn neefje gaat verhuizen.
trek
My nefie is besig om te trek.
overwinnen
De atleten overwinnen de waterval.
oorkom
Die atlete oorkom die waterval.
doorrijden
De auto rijdt door een boom.
ry deur
Die kar ry deur ’n boom.
verheugen
Het doelpunt verheugt de Duitse voetbalfans.
verbly
Die doel verbly die Duitse sokkerondersteuners.
verbranden
Je moet geen geld verbranden.
brand
Jy moet nie geld brand nie.
schoppen
In vechtsporten moet je goed kunnen schoppen.
skop
In vegkuns moet jy goed kan skop.
bestrijden
De brandweer bestrijdt het vuur vanuit de lucht.
veg
Die brandweer beveg die brand vanuit die lug.
bewust zijn van
Het kind is zich bewust van de ruzie van zijn ouders.
bewus wees van
Die kind is bewus van sy ouers se argument.
bespreken
Ze bespreken hun plannen.
bespreek
Hulle bespreek hul planne.
sprakeloos maken
De verrassing maakt haar sprakeloos.
stomslaan
Die verrassing slaan haar stom.
handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.
handel
Mense handel in gebruikte meubels.