Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
wag
Sy wag vir die bus.
wachten
Ze wacht op de bus.
swem
Sy swem gereeld.
zwemmen
Ze zwemt regelmatig.
vorm
Ons vorm ’n goeie span saam.
vormen
We vormen samen een goed team.
stuur
Ek stuur vir jou ’n brief.
sturen
Ik stuur je een brief.
gee
Die vader wil vir sy seun ’n bietjie ekstra geld gee.
geven
De vader wil zijn zoon wat extra geld geven.
vriende word
Die twee het vriende geword.
vrienden worden
De twee zijn vrienden geworden.
vermeerder
Die bevolking het aansienlik vermeerder.
toenemen
De bevolking is sterk toegenomen.
voltooi
Hy voltooi sy drafroete elke dag.
voltooien
Hij voltooit elke dag zijn jogroute.
bring
Die boodskapper bring ’n pakkie.
brengen
De koerier brengt een pakketje.
uitslaap
Hulle wil eindelik een aand lank uitslaap.
uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.
oes
Ons het baie wyn geoest.
oogsten
We hebben veel wijn geoogst.