Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
spring rond
Die kind spring gelukkig rond.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
versterk
Gimnastiek versterk die spiere.
versterken
Gymnastiek versterkt de spieren.
druk
Hulle druk die man in die water.
duwen
Ze duwen de man het water in.
uitgaan
Die meisies hou daarvan om saam uit te gaan.
uitgaan
De meisjes gaan graag samen uit.
saamneem
Ons het ’n Kersboom saamgeneem.
meenemen
We hebben een kerstboom meegenomen.
lei
Die mees ervare stapper lei altyd.
leiden
De meest ervaren wandelaar leidt altijd.
vergeet
Sy wil nie die verlede vergeet nie.
vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.
lei
Hy geniet dit om ’n span te lei.
leiden
Hij leidt graag een team.
hang af
Hy is blind en hang af van buite hulp.
afhangen van
Hij is blind en is afhankelijk van hulp van buitenaf.
ontslaan
My baas het my ontslaan.
ontslaan
Mijn baas heeft me ontslagen.
stel vas
Die datum word vasgestel.
vaststellen
De datum wordt vastgesteld.