Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
bedek
Die kind bedek sy ore.
bedekken
Het kind bedekt zijn oren.
werk
Die motorfiets is stukkend; dit werk nie meer nie.
werken
De motorfiets is kapot; hij werkt niet meer.
neerskryf
Sy wil haar besigheidsidee neerskryf.
opschrijven
Ze wil haar zakelijk idee opschrijven.
luister
Hy luister na haar.
luisteren
Hij luistert naar haar.
vervoer
Ons vervoer die fietse op die motor se dak.
vervoeren
We vervoeren de fietsen op het dak van de auto.
afbrand
Die vuur sal baie van die woud afbrand.
afbranden
Het vuur zal een groot deel van het bos afbranden.
spog
Hy hou daarvan om met sy geld te spog.
pronken
Hij pronkt graag met zijn geld.
pluk
Sy het ’n appel gepluk.
plukken
Ze plukte een appel.
jaag
Die cowboys jaag die beeste met perde.
drijven
De cowboys drijven het vee met paarden.
brand
Die vleis moet nie op die rooster brand nie.
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
kanselleer
Hy het ongelukkig die vergadering gekanselleer.
annuleren
Hij heeft helaas de vergadering geannuleerd.