Woordenlijst

Leer bijwoorden – Pools

cms/adverbs-webp/155080149.webp
dlaczego
Dzieci chcą wiedzieć, dlaczego wszystko jest takie, jakie jest.
waarom
Kinderen willen weten waarom alles is zoals het is.
cms/adverbs-webp/162590515.webp
dosyć
Ona chce spać i ma dosyć hałasu.
genoeg
Ze wil slapen en heeft genoeg van het lawaai.
cms/adverbs-webp/133226973.webp
właśnie
Ona właśnie się obudziła.
net
Ze is net wakker geworden.
cms/adverbs-webp/23025866.webp
cały dzień
Mama musi pracować cały dzień.
de hele dag
De moeder moet de hele dag werken.
cms/adverbs-webp/12727545.webp
na dole
On leży na dole na podłodze.
beneden
Hij ligt beneden op de vloer.
cms/adverbs-webp/134906261.webp
już
Dom jest już sprzedany.
al
Het huis is al verkocht.
cms/adverbs-webp/54073755.webp
na nim
Wchodzi na dach i siada na nim.
erop
Hij klimt op het dak en zit erop.
cms/adverbs-webp/176235848.webp
do środka
Oboje wchodzą do środka.
in
De twee komen binnen.
cms/adverbs-webp/40230258.webp
zbyt dużo
On zawsze pracował zbyt dużo.
te veel
Hij heeft altijd te veel gewerkt.
cms/adverbs-webp/128130222.webp
razem
Uczymy się razem w małej grupie.
samen
We leren samen in een kleine groep.
cms/adverbs-webp/176427272.webp
w dół
On spada z góry w dół.
naar beneden
Hij valt van boven naar beneden.
cms/adverbs-webp/67795890.webp
do
Skaczą do wody.
in
Ze springen in het water.