Woordenlijst
Leer bijwoorden – Sloveens
na
Pleza na streho in sedi na njej.
erop
Hij klimt op het dak en zit erop.
zakaj
Otroci želijo vedeti, zakaj je vse tako, kot je.
waarom
Kinderen willen weten waarom alles is zoals het is.
skupaj
Oba rada igrata skupaj.
samen
De twee spelen graag samen.
ampak
Hiša je majhna, ampak romantična.
maar
Het huis is klein maar romantisch.
dovolj
Hoče spati in ima dovolj hrupa.
genoeg
Ze wil slapen en heeft genoeg van het lawaai.
enako
Ti ljudje so različni, vendar enako optimistični!
even
Deze mensen zijn verschillend, maar even optimistisch!
ven
Bolni otrok ne sme iti ven.
buiten
Het zieke kind mag niet naar buiten.
nekje
Zajec se je nekje skril.
ergens
Een konijn heeft zich ergens verstopt.
več
Starejši otroci dobijo več žepnine.
meer
Oudere kinderen krijgen meer zakgeld.
zdaj
Naj ga zdaj pokličem?
nu
Moet ik hem nu bellen?
zunaj
Danes jemo zunaj.
buiten
We eten vandaag buiten.