Woordenlijst
Koreaans – Werkwoorden oefenen

naar huis gaan
Hij gaat na het werk naar huis.

meedenken
Je moet meedenken bij kaartspellen.

onaangeroerd laten
De natuur werd onaangeroerd gelaten.

verdragen
Ze kan de pijn nauwelijks verdragen!

stoppen
Hij stopte met zijn baan.

bereiden
Er wordt een heerlijk ontbijt bereid!

luisteren naar
De kinderen luisteren graag naar haar verhalen.

leiden
De meest ervaren wandelaar leidt altijd.

slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.

vastzitten
Ik zit vast en kan geen uitweg vinden.

beperken
Tijdens een dieet moet je je voedselinname beperken.
