Woordenlijst
Japans – Werkwoorden oefenen
samenwerken
We werken samen als een team.
bespreken
Ze bespreken hun plannen.
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
parkeren
De fietsen staan voor het huis geparkeerd.
handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.
naar beneden kijken
Ze kijkt naar beneden het dal in.
ontvangen
Ik kan zeer snel internet ontvangen.
instellen
Je moet de klok instellen.
plezier hebben
We hebben veel plezier gehad op de kermis!
sorteren
Hij sorteert graag zijn postzegels.
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.