Woordenlijst
Leer werkwoorden – Litouws
norėti
Ji nori palikti savo viešbutį.
willen verlaten
Ze wil haar hotel verlaten.
skambinti
Ji gali skambinti tik per pietų pertrauką.
bellen
Ze kan alleen bellen tijdens haar lunchpauze.
baigtis
Maršrutas baigiasi čia.
eindigen
De route eindigt hier.
mokytis
Mano universitete mokosi daug moterų.
studeren
Er studeren veel vrouwen aan mijn universiteit.
apibūdinti
Kaip galima apibūdinti spalvas?
beschrijven
Hoe kun je kleuren beschrijven?
rašyti
Jis rašo laišką.
schrijven
Hij schrijft een brief.
valyti
Ji valo virtuvę.
schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.
žinoti
Ji beveik išmintimi žino daug knygų.
kennen
Ze kent veel boeken bijna uit haar hoofd.
palikti
Ji paliko man vieną pizzos gabalėlį.
achterlaten
Ze liet een stuk pizza voor me achter.
dešifruoti
Jis dešifruoja mažus šriftus su didinamuoju stiklu.
ontcijferen
Hij ontcijfert de kleine letters met een vergrootglas.
aptarti
Kolegos aptaria problemą.
bespreken
De collega’s bespreken het probleem.