Woordenlijst
Leer werkwoorden – Bosnisch
pozvati
Moj učitelj me često poziva.
aanspreken
Mijn leraar spreekt me vaak aan.
odbiti
Dijete odbija svoju hranu.
weigeren
Het kind weigert zijn eten.
boriti se
Sportaši se bore jedan protiv drugog.
vechten
De atleten vechten tegen elkaar.
obnoviti
Slikar želi obnoviti boju zida.
vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
držati govor
Politikar drži govor pred mnogim studentima.
een toespraak houden
De politicus houdt een toespraak voor veel studenten.
prevesti
On može prevesti između šest jezika.
vertalen
Hij kan tussen zes talen vertalen.
raditi za
On je naporno radio za svoje dobre ocjene.
werken voor
Hij heeft hard gewerkt voor zijn goede cijfers.
tiskati
Knjige i novine se tiskaju.
drukken
Boeken en kranten worden gedrukt.
posjetiti
Ona posjećuje Pariz.
bezoeken
Ze bezoekt Parijs.
prevoziti
Bicikle prevozimo na krovu automobila.
vervoeren
We vervoeren de fietsen op het dak van de auto.
izvršiti
On izvršava popravku.
uitvoeren
Hij voert de reparatie uit.