Woordenlijst

Leer werkwoorden – Bosnisch

cms/verbs-webp/123237946.webp
dogoditi se
Ovdje se dogodila nesreća.
gebeuren
Hier is een ongeluk gebeurd.
cms/verbs-webp/34725682.webp
predložiti
Žena predlaže nešto svojoj prijateljici.
voorstellen
De vrouw stelt iets voor aan haar vriendin.
cms/verbs-webp/119269664.webp
proći
Studenti su prošli ispit.
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
cms/verbs-webp/110056418.webp
držati govor
Politikar drži govor pred mnogim studentima.
een toespraak houden
De politicus houdt een toespraak voor veel studenten.
cms/verbs-webp/65915168.webp
šuštati
Lišće šušti pod mojim nogama.
ritselen
De bladeren ritselen onder mijn voeten.
cms/verbs-webp/109766229.webp
osjećati
Često se osjeća samim.
voelen
Hij voelt zich vaak alleen.
cms/verbs-webp/102677982.webp
osjećati
Ona osjeća bebu u svom trbuhu.
voelen
Ze voelt de baby in haar buik.
cms/verbs-webp/106279322.webp
putovati
Volimo putovati kroz Europu.
reizen
We reizen graag door Europa.
cms/verbs-webp/30793025.webp
hvaliti se
Voli se hvaliti svojim novcem.
pronken
Hij pronkt graag met zijn geld.
cms/verbs-webp/57207671.webp
prihvatiti
Ne mogu to promijeniti, moram to prihvatiti.
accepteren
Ik kan dat niet veranderen, ik moet het accepteren.
cms/verbs-webp/99169546.webp
gledati
Svi gledaju u svoje telefone.
kijken
Iedereen kijkt naar hun telefoons.
cms/verbs-webp/93169145.webp
govoriti
On govori svojoj publici.
spreken
Hij spreekt tot zijn publiek.