Woordenlijst

Leer werkwoorden – Spaans

cms/verbs-webp/119501073.webp
yacer
Ahí está el castillo, ¡yace justo enfrente!
tegenover liggen
Daar is het kasteel - het ligt er recht tegenover!
cms/verbs-webp/114993311.webp
ver
Puedes ver mejor con gafas.
zien
Je kunt beter zien met een bril.
cms/verbs-webp/108286904.webp
beber
Las vacas beben agua del río.
drinken
De koeien drinken water uit de rivier.
cms/verbs-webp/114272921.webp
conducir
Los vaqueros conducen el ganado con caballos.
drijven
De cowboys drijven het vee met paarden.
cms/verbs-webp/123786066.webp
beber
Ella bebe té.
drinken
Ze drinkt thee.
cms/verbs-webp/123834435.webp
devolver
El dispositivo está defectuoso; el minorista tiene que devolverlo.
terugnemen
Het apparaat is defect; de winkelier moet het terugnemen.
cms/verbs-webp/51573459.webp
enfatizar
Puedes enfatizar tus ojos bien con maquillaje.
benadrukken
Je kunt je ogen goed benadrukken met make-up.
cms/verbs-webp/118485571.webp
hacer
Quieren hacer algo por su salud.
doen voor
Ze willen iets voor hun gezondheid doen.
cms/verbs-webp/119404727.webp
hacer
¡Deberías haberlo hecho hace una hora!
doen
Dat had je een uur geleden moeten doen!
cms/verbs-webp/65915168.webp
susurrar
Las hojas susurran bajo mis pies.
ritselen
De bladeren ritselen onder mijn voeten.
cms/verbs-webp/93697965.webp
circular
Los coches circulan en círculo.
rondrijden
De auto’s rijden in een cirkel rond.
cms/verbs-webp/122638846.webp
dejar
La sorpresa la dejó sin palabras.
sprakeloos maken
De verrassing maakt haar sprakeloos.