Woordenlijst

Leer werkwoorden – Spaans

cms/verbs-webp/63935931.webp
girar
Ella gira la carne.
draaien
Ze draait het vlees.
cms/verbs-webp/104849232.webp
dar a luz
Ella dará a luz pronto.
bevallen
Ze zal binnenkort bevallen.
cms/verbs-webp/102238862.webp
visitar
Una vieja amiga la visita.
bezoeken
Een oude vriend bezoekt haar.
cms/verbs-webp/122010524.webp
emprender
He emprendido muchos viajes.
ondernemen
Ik heb veel reizen ondernomen.
cms/verbs-webp/58292283.webp
exigir
Él está exigiendo compensación.
eisen
Hij eist compensatie.
cms/verbs-webp/81740345.webp
resumir
Necesitas resumir los puntos clave de este texto.
samenvatten
Je moet de belangrijkste punten uit deze tekst samenvatten.
cms/verbs-webp/125088246.webp
imitar
El niño imita un avión.
imiteren
Het kind imiteert een vliegtuig.
cms/verbs-webp/99392849.webp
quitar
¿Cómo se puede quitar una mancha de vino tinto?
verwijderen
Hoe kan men een rode wijnvlek verwijderen?
cms/verbs-webp/68761504.webp
revisar
El dentista revisa la dentición del paciente.
controleren
De tandarts controleert het gebit van de patiënt.
cms/verbs-webp/27564235.webp
trabajar en
Tiene que trabajar en todos estos archivos.
werken aan
Hij moet aan al deze bestanden werken.
cms/verbs-webp/125319888.webp
cubrir
Ella cubre su cabello.
bedekken
Ze bedekt haar haar.
cms/verbs-webp/91367368.webp
pasear
La familia pasea los domingos.
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.