Woordenlijst
Leer werkwoorden – Spaans
traducir
Él puede traducir entre seis idiomas.
vertalen
Hij kan tussen zes talen vertalen.
despertar
Acaba de despertar.
wakker worden
Hij is net wakker geworden.
nevar
Hoy ha nevado mucho.
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
enviar
Me enviarán los productos en un paquete.
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
matar
Voy a matar la mosca.
doden
Ik zal de vlieg doden!
aceptar
No puedo cambiar eso, tengo que aceptarlo.
accepteren
Ik kan dat niet veranderen, ik moet het accepteren.
cancelar
El contrato ha sido cancelado.
annuleren
Het contract is geannuleerd.
deletrear
Los niños están aprendiendo a deletrear.
spellen
De kinderen leren spellen.
chatear
Ellos chatean entre sí.
kletsen
Ze kletsen met elkaar.
regresar
El bumerán regresó.
terugkomen
De boemerang kwam terug.
manejar
Uno tiene que manejar los problemas.
omgaan
Men moet met problemen omgaan.