Woordenlijst
Leer werkwoorden – Spaans
anotar
Ella quiere anotar su idea de negocio.
opschrijven
Ze wil haar zakelijk idee opschrijven.
conducir
Los vaqueros conducen el ganado con caballos.
drijven
De cowboys drijven het vee met paarden.
gustar
A ella le gusta más el chocolate que las verduras.
houden van
Ze houdt meer van chocolade dan van groenten.
salir
No salió bien esta vez.
lukken
Deze keer is het niet gelukt.
alojarse
Nos alojamos en un hotel barato.
onderdak vinden
We vonden onderdak in een goedkoop hotel.
desarrollar
Están desarrollando una nueva estrategia.
ontwikkelen
Ze ontwikkelen een nieuwe strategie.
renovar
El pintor quiere renovar el color de la pared.
vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
protestar
La gente protesta contra la injusticia.
protesteren
Mensen protesteren tegen onrecht.
acompañar
¿Puedo acompañarte?
meerijden
Mag ik met je meerijden?
atravesar
¿Puede el gato atravesar este agujero?
doorgaan
Kan de kat door dit gat gaan?
proporcionar
Se proporcionan sillas de playa para los veraneantes.
voorzien
Strandstoelen worden voor de vakantiegangers voorzien.