Woordenlijst

Leer werkwoorden – Spaans

cms/verbs-webp/94482705.webp
traducir
Él puede traducir entre seis idiomas.
vertalen
Hij kan tussen zes talen vertalen.
cms/verbs-webp/93150363.webp
despertar
Acaba de despertar.
wakker worden
Hij is net wakker geworden.
cms/verbs-webp/123211541.webp
nevar
Hoy ha nevado mucho.
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
cms/verbs-webp/65840237.webp
enviar
Me enviarán los productos en un paquete.
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
cms/verbs-webp/45022787.webp
matar
Voy a matar la mosca.
doden
Ik zal de vlieg doden!
cms/verbs-webp/57207671.webp
aceptar
No puedo cambiar eso, tengo que aceptarlo.
accepteren
Ik kan dat niet veranderen, ik moet het accepteren.
cms/verbs-webp/50772718.webp
cancelar
El contrato ha sido cancelado.
annuleren
Het contract is geannuleerd.
cms/verbs-webp/108295710.webp
deletrear
Los niños están aprendiendo a deletrear.
spellen
De kinderen leren spellen.
cms/verbs-webp/115113805.webp
chatear
Ellos chatean entre sí.
kletsen
Ze kletsen met elkaar.
cms/verbs-webp/83548990.webp
regresar
El bumerán regresó.
terugkomen
De boemerang kwam terug.
cms/verbs-webp/102169451.webp
manejar
Uno tiene que manejar los problemas.
omgaan
Men moet met problemen omgaan.
cms/verbs-webp/100466065.webp
omitir
Puedes omitir el azúcar en el té.
weglaten
Je kunt de suiker in de thee weglaten.