Woordenlijst

Leer werkwoorden – Duits

cms/verbs-webp/32180347.webp
auseinandernehmen
Unser Sohn nimmt alles auseinander!
uit elkaar halen
Onze zoon haalt alles uit elkaar!
cms/verbs-webp/80552159.webp
funktionieren
Das Motorrad ist kaputt, es funktioniert nicht mehr.
werken
De motorfiets is kapot; hij werkt niet meer.
cms/verbs-webp/102114991.webp
schneiden
Die Friseuse schneidet ihr die Haare.
knippen
De kapper knipt haar haar.
cms/verbs-webp/46998479.webp
besprechen
Sie besprechen ihre Pläne.
bespreken
Ze bespreken hun plannen.
cms/verbs-webp/123844560.webp
schützen
Ein Helm soll vor Unfällen schützen.
beschermen
Een helm moet tegen ongelukken beschermen.
cms/verbs-webp/96586059.webp
entlassen
Der Chef hat ihn entlassen.
ontslaan
De baas heeft hem ontslagen.
cms/verbs-webp/114593953.webp
sich begegnen
Sie sind sich zuerst im Internet begegnet.
ontmoeten
Ze ontmoetten elkaar voor het eerst op het internet.
cms/verbs-webp/91147324.webp
belohnen
Er wurde mit einer Medaille belohnt.
belonen
Hij werd beloond met een medaille.
cms/verbs-webp/122079435.webp
steigern
Das Unternehmen hat seinen Umsatz gesteigert.
verhogen
Het bedrijf heeft zijn omzet verhoogd.
cms/verbs-webp/106725666.webp
nachsehen
Er sieht nach, wer da wohnt.
controleren
Hij controleert wie daar woont.
cms/verbs-webp/109542274.webp
durchlassen
Soll man Flüchtlinge an den Grenzen durchlassen?
doorlaten
Moeten vluchtelingen aan de grenzen worden doorgelaten?
cms/verbs-webp/117421852.webp
sich anfreunden
Die beiden haben sich angefreundet.
vrienden worden
De twee zijn vrienden geworden.