Woordenlijst
Leer werkwoorden – Portugees (PT)
cortar
O cabeleireiro corta o cabelo dela.
knippen
De kapper knipt haar haar.
descrever
Como se pode descrever cores?
beschrijven
Hoe kun je kleuren beschrijven?
infectar-se
Ela se infectou com um vírus.
besmet raken
Ze raakte besmet met een virus.
votar
Os eleitores estão votando em seu futuro hoje.
stemmen
De kiezers stemmen vandaag over hun toekomst.
aceitar
Não posso mudar isso, tenho que aceitar.
accepteren
Ik kan dat niet veranderen, ik moet het accepteren.
cobrir
Os lírios d‘água cobrem a água.
bedekken
De waterlelies bedekken het water.
parar
Você deve parar no sinal vermelho.
stoppen
Je moet stoppen bij het rode licht.
lutar
Os atletas lutam um contra o outro.
vechten
De atleten vechten tegen elkaar.
endossar
Nós endossamos de bom grado sua ideia.
onderschrijven
We onderschrijven graag uw idee.
vender
Os comerciantes estão vendendo muitos produtos.
verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.
cortar
O tecido está sendo cortado no tamanho certo.
op maat snijden
De stof wordt op maat gesneden.