Woordenlijst
Leer werkwoorden – Portugees (PT)
controlar-se
Não posso gastar muito dinheiro; preciso me controlar.
beheersen
Ik kan niet te veel geld uitgeven; ik moet me beheersen.
verificar
O dentista verifica os dentes.
controleren
De tandarts controleert de tanden.
tocar
Ele a tocou ternamente.
aanraken
Hij raakte haar teder aan.
conduzir
Os cowboys conduzem o gado com cavalos.
drijven
De cowboys drijven het vee met paarden.
partir
Quando o sinal mudou, os carros partiram.
wegrijden
Toen het licht veranderde, reden de auto’s weg.
pular sobre
O atleta deve pular o obstáculo.
overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.
decidir
Ela não consegue decidir qual sapato usar.
beslissen
Ze kan niet beslissen welke schoenen ze moet dragen.
defender
Os dois amigos sempre querem se defender.
opkomen voor
De twee vrienden willen altijd voor elkaar opkomen.
beijar
Ele beija o bebê.
kussen
Hij kust de baby.
estar ciente
A criança está ciente da discussão de seus pais.
bewust zijn van
Het kind is zich bewust van de ruzie van zijn ouders.
temer
A criança tem medo no escuro.
bang zijn
Het kind is bang in het donker.