Woordenlijst
Leer werkwoorden – Portugees (PT)
formar
Nós formamos uma boa equipe juntos.
vormen
We vormen samen een goed team.
escolher
Ela escolhe um novo par de óculos escuros.
uitzoeken
Ze zoekt een nieuwe zonnebril uit.
sair
O homem sai.
verlaten
De man vertrekt.
agradecer
Ele agradeceu com flores.
bedanken
Hij bedankte haar met bloemen.
passar
Os estudantes passaram no exame.
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
reencontrar
Eles finalmente se reencontram.
weerzien
Ze zien elkaar eindelijk weer.
tocar
Quem tocou a campainha?
bellen
Wie heeft er aan de deurbel gebeld?
pensar
Ela sempre tem que pensar nele.
denken
Ze moet altijd aan hem denken.
ter vez
Por favor, espere, você terá sua vez em breve!
aan de beurt komen
Even wachten, je komt zo aan de beurt!
conhecer
Cães estranhos querem se conhecer.
leren kennen
Vreemde honden willen elkaar leren kennen.
contar
Ela me contou um segredo.
vertellen
Ze vertelde me een geheim.